Belastingdienst nuanceert standpunt Kennisgroep inzake partiële buitenlandse belastingplicht


Belastingdienst nuanceert standpunt Kennisgroep inzake partiële buitenlandse belastingplicht
Belastingdienst nuanceert standpunt Kennisgroep inzake partiële buitenlandse belastingplicht

Via een korte aanvulling op haar eerdere Kennisgroepstandpunt heeft de Belastingdienst vandaag (21-11-2025) haar eerdere standpunt inzake de partiële buitenlandse belastingplicht genuanceerd. 

Het regime van de partiële buitenlandse belastingplicht is afgeschaft met ingang van 1 januari 2025. Een in Nederland woonachtige werknemer ten aanzien van wie de 30% regeling reeds werd toegepast op 31 december 2023 kan onder toepassing van overgangsrecht gedurende de jaren 2025 en 2026 nog profiteren van het regime van de partiële buitenlandse belastingplicht. Bij toepassing van de partiële buitenlandse belastingplicht kunnen 5% of meer aandelenbelangen in niet in Nederland gevestigde vennootschappen buiten de box 2 heffing worden gehouden. Ook wordt de werknemer onder dit regime niet geconfronteerd met box 3 heffing over inkomen uit sparen en beleggen, behoudens specifieke uitzonderingen zoals beleggingen in Nederlands onroerend goed.  

Indien een werknemer beschikt over een fiscaal partner kan box 2 en box 3 vermogen worden verdeeld tussen de fiscaal partners. In haar op 17 oktober jl gepubliceerde standpunt stelde de Kennisgroep van de Belastingdienst echter dat “eigen” box 2 en box 3 vermogen en inkomen van een fiscaal partner - die niet zelf beschikt over een 30% regeling en dus ook niet zelf beschikt over toegang tot het regime van de partiële buitenlandse belastingplicht - fiscaal niet kan worden gealloceerd aan de fiscaal partner met de 30% regeling om zodoende (indirect) dat inkomen buiten de Nederlandse heffing te houden. Naar aanleiding van de publicatie van dit standpunt ontstond echter kritiek aangezien hiermee werd afgeweken van een sinds 2001 ingezette (en ook door de Belastingdienst uitgedragen) lijn van behandeling van inkomende werknemers met een 30% regeling. In antwoord hierop heeft de Belastingdienst gelukkig haar standpunt genuanceerd door onderstaande aanvulling:

“Dit standpunt wijkt af van het eerdere beleid dat is uitgedragen en breed is toegepast in de uitvoeringspraktijk. Gelet daarop zal dit standpunt door de Belastingdienst tot en met belastingjaar 2026 nog niet worden toegepast. Dit betekent dat het standpunt geen gevolgen zal hebben voor de toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen aan de partieel buitenlandse belastingplichtige, omdat het overgangsrecht voor de partieel buitenlandse belastingplichtige met ingang van 1 januari 2027 is afgelopen”.      

 

Met deze welkome aanvulling wordt alsnog veel onduidelijkheid voorkomen.